Posts tonen met het label Radio Hoboken. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Radio Hoboken. Alle posts tonen

zaterdag 25 april 2015

Susannah - Carlisle Floyd

Susannah is een opera in twee bedrijven van de Amerikaanse componist Carlisle Floyd, die zowel het libretto als de muziek schreef, terwijl hij lid was van de piano faculteit van de Florida State University. De première vond plaats in de Florida State University, Tallahassee, Florida, op 24 februari 1955.
De opera werd in 1956 bekroond met de New York Music Critics Circle Award voor Beste Nieuwe Opera en werd verkozen om de Amerikaanse muziek en cultuur te vertegenwoordigen op de Wereldtentoonstelling van 1958 te Brussel. In 1999 kreeg het stuk een nieuwe première in de Metropolitan Opera met Renée Fleming in de titelrol.
Susannah is een van de meest uitgevoerde Amerikaanse opera’s. Er wordt gesuggereerd dat de opera werd geïnspireerd door het McCarthysme, een periode van intense angst voor het communisme in Amerika in de vroege jaren 1950. De opera bevat ook heel wat feministische thema’s die op het moment dat de opera geschreven werd nog niet op grote schaal waren verkend in de populaire cultuur. Floyd zei dat deze opera, net als zijn andere opera’s overigens, bedoeld was anders dan een traditionele opera te zijn.
De muziek wordt grotendeels gekenmerkt door Appalachian folk melodieën. De componist maakte ook gebruik van protestantse gezangen en toch ook van traditionele klassieke muziek.

Synopsis
Susannah is losjes gebaseerd op het apocriefe verhaal van Susannah en de ouderlingen. In New Hope Valley, Tennessee, wordt Susannah – een mooie en goed gemanierde jonge vrouw van bescheiden afkomst – geconfronteerd met de vijandigheid van haar kerkgemeenschap.

EERSTE BEDRIJF
De opera begint met een squaredans georganiseerd door de kerk(gemeenschap); enkele vrouwen, jaloers op Susannah’s schoonheid en kwaad omwille van de aandacht die zij daardoor van hun echtgenoten krijgt, roddelen over het meisje. Mevrouw McLean, één van hen, zegt dat je niet veel kan verwachten van iemand die werd opgevoed door haar dronken broer. Dominee Olin Blitch, die pas is toegekomen om de congregatie te leiden, vraagt aan Susannah om te dansen, ondanks de roddels. Later op de avond vertelt Susannah Little Bat, een van haar bewonderaars en zoon van Mrs. McLean en een ouderling van de kerk, over de dans. Little Bat vertrekt plots als Susannah’s broer terugkeert van de jacht.

De volgende ochtend baadt Susannah in alle onschuld naakt in de kreek nabij haar woonst: zij wordt ontdekt door de ouderlingen die op zoek zijn naar een plaats om een doopsel uit te voeren. Zij maskeren hun lust met verontwaardiging en vertellen de gemeenschap over haar verdorvenheid. Als Susannah ‘s avonds verschijnt op een kerkdiner, wordt zij weggestuurd. Zij begrijpt het niet. Little Bat legt uit dat het over haar baden gaat en dat hij moest verklaren dat hij door haar verleid werd.

TWEEDE BEDRIJF
Haar broer Sam vertelt dat zij een publieke bekentenis moet afleggen om absolutie te krijgen. Susannah zegt dat zij niets op te biechten heeft, en gaat naar de dienst waar Blitch predikt. Als zij naar voren wordt geroepen, rent zij weg. Zodra de dienst voorbij is, gaat Blitch naar Susannah’s huis en biedt aan om voor haar ziel te bidden. Als hij merkt dat haar broer er niet is, verkracht hij haar.

Blitch ontdekt de volgende dag dat Susannah nog maagd was. Hij gaat naar haar toe om vergiffenis te vragen. Hij smeekt om genade, maar zij weigert hem te vergeven. Als Susannah haar broer vertelt wat er is gebeurd, dreigt hij ermee Blitch te vermoorden en vertrekt naar het doopfeest met een jachtgeweer. De gemeente is ervan overtuigd dat Susannah haar broer tot moord heeft aangezet, en wil haar uit de vallei verjagen. Little Bat heeft haar echter gewaarschuwd en als de meute toekomt, wacht zij hen op met een geweer. De menigte druipt af. Zij verbreekt alle banden met de gemeenschap en haar wereld.

PERSONAGES EN ROLVERDELING
Susannah Polk – Cheryl Studer
Olin Blitch – Samuel Ramey
Sam Polk – Jerry Hadley
Little Bat McLean – Ken Chester
Elder McLean – Michael Druiett
Elder Gleaton – Steven Cole
Elder Hayes – Stuart Kale
Elder Ott – David Pittsinger
Mrs McLean – Anne Howells
Mrs Gleaton – Della Jones
Mrs Hayes – Jean Glennon
Mrs Ott – Elizabeth Laurence
Choeur et Orchestre de l’Opéra de Lyon
Kent Nagano

OPNAME
Opname onder de supervisie van de componist.
Opname Radio France in coproductie met Opéra de Lyon 1993 en Bavaria Musik Studios 1994
Virgin Classics 1994

Peter Paul Rubens: Susanna en de ouderlingen (1609)


woensdag 15 april 2015

Zaira - Vincenzo Bellini

Zaira is een tragedia lirica, een tragische opera in twee bedrijven van Vincenzo Bellini, naar een libretto van Felice Romani die zich baseerde op Zaire, een tragedie van Voltaire uit 1732. Het verhaal speelt zich af ten tijde van de kruistochten. 

De opera ging in première in het Nuovo Teatro Ducale in Parma op 16 mei 1829.

Synopsis

EERSTE BEDRIJF
Het eerste bedrijf begint in de harem van Orosmane en we maken onmiddellijk kennis met Orosmane's lieveling, Zaira. Zij zijn zo verliefd op elkaar, dat Orosmane haar ten huwelijk heeft gevraagd. Zij heeft direct "ja" gezegd, ook al weet zij dat zij als christen is geboren in Europa. Zij draagt trouwens nog altijd het kleine gouden kruisje dat zij als kind kreeg. Maar Zaira is al lange tijd wees, en Orosmane gaf haar een goede thuis.

Toch is niet iedereen in het paleis gelukkig met het komende huwelijk. Een van de vooraanstaande officieren, Corasmino, is vastbesloten het te stoppen. En Fatima, eveneens een christenvrouw, gebiedt Zaira haar geloof niet te verzaken.
Intussen krijgt Orosmane bezoek van een delegatie Franse ridders, geleid door Nerestano. Ze geraken erover akkoord dat tien Fransen uit de gevangenis van de sultan zullen vrijgelaten worden. 
De verliefde Orosmane is echter in een uitermate gulle bui, en biedt aan er honderd vrij te laten in plaats van tien. Twee moeten slechts achter blijven, de al wat oudere Franse prins Lusignano en Zaira, zijn toekomstige bruid.


Na wat aandringen is Orosmane ook bereid Lusignano vrij te laten. In een emotionele scene wordt de oude leider verenigd met zijn manschappen. Hij ontmoet ook Zaira. Het blijkt een grote familiereünie: Nerestano blijkt de zoon van Lusignano en aan het gouden kruisje herkent Lusignano zijn sedert lang gemiste dochter. Nerestano en Zaira zijn dus broer en zus.

De trouwplannen van Zaira werpen echter een donkere schaduw over hun hereniging. Bovendien is Orosmane niet geneigd Zaira te laten gaan. Hij beveelt haar terug te keren naar de harem, in afwachting van hun huwelijk. Als zij afscheid neemt van haar vader en broer, haalt haar liefde voor haar familie de bovenhand, en verklaart zij niet te zullen huwen met de sultan.

Deze intrieste scene wordt door Corasmino, die van enige afstand toekijkt, totaal verkeerd geïnterpreteerd. Hij leidt uit de innige omhelzingen af dat Zaira en Nerestano verliefd op elkaar zijn en neemt zich voor met deze kennis een wig te drijven tussen Zaira en Orosmane.

TWEEDE BEDRIJF
Als het tweede bedrijf begint, heeft Zaira nog niet tegen Orosmane gezegd dat ze niet meer met hem wil trouwen, maar zij vraagt hem de ceremonie uit te stellen in de hoop tijd te winnen om tot een oplossing te komen.
Intussen is haar vader Lusignano ernstig ziek geworden, en hij sterft. De Sultan geeft toestemming aan de Fransen om hun oude leider een christelijke begrafenis te geven. Orosmane verzwijgt voor Zaira dat haar vader dood is. Hun huwelijk is immers daags nadien gepland.

Corasmino zoekt nog steeds een manier om het huwelijk te vermijden en Nerestano is vastbesloten zijn zus mee naar Frankrijk te nemen. Corasmino weet een bericht van Nerestano aan Zaira te onderscheppen. Daarin vraagt hij haar 's nachts in een afgelegen deel van de tuin af te spreken. Corasmino speelt het bericht door aan de Sultan, die er onmiddellijk van overtuigd is dat Zaira hem heeft verraden. Hij geeft Corasmino opdracht de boodschap af te leveren, zodat ze Zaira en Nerestano samen kunnen betrappen. En zo gebeurt.

Zaira heeft intussen de dood van haar vader vernomen. Overmand door verdriet is ze nog beslister het huwelijk te ontwijken. Ze zal naar Nerestano gaan en trachten te ontsnappen.

De Sultan en Corasmino hebben zich verborgen opgesteld in de tuin en wachten de komst van Zaira en Nerestano af. Zij zweert haar liefde voor Orosmane af en wil terugkeren naar huis, naar Frankrijk. Stil proberen de twee weg te gaan. Maar Orosmane heeft alles gehoord, en is overtuigd dat zij en Nerestano geliefden zijn. Hij springt tevoorschijn uit zijn schuilplaats en steekt Zaira neer. Stervend zegt zij haar broer vaarwel, en Orosmane beseft zijn vergissing. Daarop slaat hij de hand aan zichzelf. Einde.

Personages en rolverdeling
Zaira: Katia Ricciarelli
Orosmane: Simone Alaimo
Corasmino: Ramon Vargas
Nerestano: Alexandra Papadjakou
Fatima: Silvana Silbano
Meledor: Roberto de Candia
Lusignano: Luigi Roni
Castiglione: Giovanni Palmieri

Orchestra e Coro del Teatro Massimo "Bellini"
Paolo Olmi, dirigent

Live opname september 1990
Nuova Era Records/Brilliant classics

Bellini op ca. 30 jarige leeftijd

zaterdag 4 april 2015

Parsifal - Richard Wagner






Parsifal is de laatste opera van Richard Wagner, die er het libretto of, zoals hij het noemde, de Dichtung en de muziek voor schreef. Wagner noemde dit werk een Bühnenweihfestspiel, en bepaalde dat het uitsluitend in het Festspielhaus in Bayreuth mocht uitgevoerd worden. Het verhaal is min of meer gebaseerd op de roman in versvorm Parzival van Wolfram von Eschenbach (ca.1170 – 1220).

De première vond plaats op 26 juli 1882 in het Festspielhaus in Bayreuth, onder de directie van Hermann Levi, muzikaal directeur bij de Bayerische Staatsoper. Er waren zestien uitvoeringen in juli en augustus van dat jaar.
Voor de laatste uitvoering op 29 augustus, nam Richard Wagner zelf de dirigeerstok in handen om de overgangsscène en het tweede deel van het derde bedrijf zelf te dirigeren. Dit was de eerste en tegelijkertijd de laatste keer dat Wagner in Bayreuth dirigeerde. Na een stormachtig applaus bij het einde van de uitvoering bedankte Wagner met een korte dankbetuiging zijn publiek. Hij eindigde met de woorden ‘tot volgend jaar’, maar voor hem zou er geen volgend jaar meer zijn, hij stierf op 13 februari 1883.

Van Perceval naar Parsifal

Ver van de beschaafde wereld, in een bos in Wales, woont Perceval met zijn moeder. Die houdt haar zoon dom om te verhinderen dat hij ridder zou worden. Haar man en haar twee andere zoons hadden immers gekozen voor het ridderschap, en geen van hen heeft dat overleefd. Maar het lot laat zich niet dicteren. Op een dag ontmoet Perceval in het woud een groep ridders, en geïnspireerd door die ervaring besluit hij in hun voetspoor te treden en naar het hof van koning Arthur te trekken. Hij verlaat zijn moeder, die eerst probeert hem tegen te houden en, als dat niet lukt, drie adviezen meegeeft voor onderweg: hij moet alle vrouwen die hij op zijn weg ontmoet respecteren, hij moet omgaan met goede mannen en hij moet God blijven eren.
Zo begint Li contes del graal, het verhaal van de graal, een roman die Chrétien de Troyes ca. 1180 schreef in opdracht van Filips van den Elzas, graaf van Vlaanderen.


Perceval is een naïeveling zonder vorming, een boerenkinkel zeg maar. Hij begint zijn tocht naar het hof van koning Arthur zonder goed te beseffen wat hij in feite onderneemt. Onderweg begaat hij een reeks stommiteiten en lapt hij onwetend al de adviezen van zijn moeder aan zijn laars. Maar moedig is hij wel. De edele Gornemant leidt hem op in de wapenkunst en slaat hem tot ridder. Gornemant leert Perceval dat zwijgzaamheid een deugd is. Als hij langs de rivier een vissende koning ontmoet en vervolgens in diens burcht getuige is van een vreemde ceremonie waarin een bloedende lans en een door een jong meisje gedragen recipiënt, graal genoemd, centraal staan, stelt hij, Gornemants raad indachtig, geen vragen. Zonder iets wijzer te zijn geworden verlaat hij de graalburcht en begint aan een vijf jaar durende zwerftocht waarin hij ver van de beschaving afdwaalt, God en geloof vergeet, en zichzelf leert kennen.

Behalve van Perceval, geeft Chrétiens verhaal het relaas van de avonturen van nog een andere ridder. Gauvain (in het Nederlands Walewein) is de tegenpool van Perceval. Perceval is de dwaze kinkel die tot ridder wordt geslagen, Gauvain daarentegen is de gearriveerde ridder die in een onhoofse omgeving belandt. Maar net als Perceval, komt Gauvain tijdens zijn zwerftochten meer over zichzelf te weten. Hij belegert een kasteel om er zijn moeder en grootmoeder uit te bevrijden, maar bevrijdt ook zijn zuster, van wier bestaan hij tot dan niet op de hoogte was. In tegenstelling tot Perceval lukt het hem een "mysterieus kasteel" te veroveren, maar hij moet daar blijven, zodat de vreugde van overwinning kort is. 
Het verhaal focust vervolgens weer op Perceval, die een kluizenaar ontmoet die hem terugvoert tot het christelijk geloof, dat hij was gaan verwaarlozen. De kluizenaar vertelt hem ook het verhaal van de graal. Perceval beseft destijds een zware fout te hebben gemaakt door niets te vragen toen hij in de graalburcht was. Hij besluit zijn vergissing goed te maken en de graal weer te gaan zoeken. 

Chrétien pikt dan weer de draad op van Gauvains avonturen, met de belofte snel naar Perceval terug te keren. Maar hier stopt de roman. We blijven dus in het ongewisse over hoe het met Perceval en Gauvain afloopt. 

Frustrerend is dat. Zo dachten ook Chrétiens tijdgenoten erover, en diverse dichters gingen aan de slag om een vervolg te breien aan Li contes del graal. Wauchier de Denain, Gerbert de Montreuil en Manessier zorgden voor een Première, resp. Deuxième en Troisième Continuation. Er kwam een proloog, de Élucidation. In verschillende Europese talen zagen geheel nieuwe graalromans het levenslicht: een Welse Peredur, de Duitse Parzival van Wolfram von Eschenbach, een resem Franse romans – Perlesvaus, Didot Perceval, Mort Artu, de zogenaamde Vulgaatcyclus, enz. Er kwamen Engelse, Nederlandse, Scandinavische, Spaanse, Portugese, Italiaanse en zelfs Hebreeuwse romans waarin de graal en Arthur en zijn ridders in verschillende configuraties ten tonele worden gevoerd. In de 19de eeuw plaatste Lord Tennyson in zijn Idylls of the King het verhaal in een Victoriaans aandoende middeleeuwse context en Richard Wagner gaf zijn graalgeschiedenis Parsifal zowel christelijk-esoterische als boeddhistische toetsen. In de 20ste eeuw maakten de versie van Terence White (The Once and Future King), die vooral schatplichtig is aan de 15de-eeuwse Le Morte d’Arthur van Thomas Malory, en John Boormans film Excalibur, van het graalverhaal een meditatie over het menselijk tekort. Andere graalteksten en graalfilms plaatsen het verhaal in een occulte context (The Da Vinci Code, The Holy Blood and the Holy Grail, Indiana Jones and the Last Crusade...) of transponeren het naar het heden (The Fisher King). “La terre gaste”, het barre land van de Visserkoning, wordt bij T.S. Eliot The Waste Land, de moderne wereld met zijn uitzichtloosheid. In Monty Python and the Holy Grail is die moderne wereld vooral volstrekt absurd.


Bij Chrétien is de graal één of ander recipiënt: een schaal, een kelk – helemaal duidelijk is dat niet. Ook in de meeste vervolgen is dat zo, en vaak heeft de schaal vooral de kenmerken van de toverschalen en –ketels uit de Keltische mythologie. Dat heeft wetenschappers ertoe gebracht de graalgeschiedenis een Keltische oorsprong toe te dichten. Het graalverhaal zou dan mogelijk afgeleid zijn van een oud Keltisch ritueel, waarbij de koning symbolisch in het huwelijk trad met het land waarover hij heerste. Andere auteurs zien een zuiver christelijke origine. De graal is niet zomaar een kelk, maar wel die waarin Jozef van Arimatheia het bloed van de gekruisigde Jezus opving. Dat kostbare heilige reliek zou hij naar Engeland hebben gebracht, misschien wel naar Glastonbury. Stond de graalburcht op de Glastonbury Tor, in Somerset? Nogal wat Britse auteurs zullen dit volmondig beamen. Of is er een verband met het Heilig Bloed dat in Brugge wordt bewaard? Chrétiens opdrachtgever, Filips van den Elzas, was immers de zoon van Diederik, die als kruisvaarder naar Jeruzalem trok en het Brugse relikwie meebracht. Maar de graal is lang niet altijd een kelk. Voor Wolfram von Eschenbach is ze een edelsteen, afkomstig uit de kroon van de gevallen engel Lucifer. Wolframs verhaal situeert zich niet in een Britse omgeving, maar veeleer in een oosterse context, in het grensgebied van het geïslamiseerde middeleeuwse Spanje. Voor hedendaagse parahistorici als Michael Baigent, Henry Lincoln, Lawrence Gardner e tutti quanti, waaraan auteurs als Dan Brown schatplichtig zijn, is de graal niet zozeer het bloed dat Christus liet vloeien, maar de bloedlijn van Jezus van Nazareth. Bloedlijn, jawel, zoals in nageslacht. Dat zit zo. Jezus had een vrouw, Maria Magdalena, met wie hij kinderen had. Volgens sommigen stamden de Merovingische koningen af van Jezus en Magdalena. De graal is dan geen kelk of steen, maar de erfgenaam van de Franse kroon...

Niet alleen de graal zelf is belangrijk: het is vooral de zoektocht ernaar, de kweeste, waar het om gaat. De graalkweeste is een inwijding in het leven: doorheen een serie beproevingen, wordt de zoekende held gestript van alle illusies en valse schijn, en ontdekt hij de waarheid over zichzelf en over de wereld. Daarbij is het stellen van de juiste vragen op het juiste ogenblik essentieel, want dat veronderstelt inzicht en maturiteit. “Wie wordt er door de graal gevoed” is daarom een vraag die Pereceval slechts kan stellen nadat hij allerlei heeft doorgemaakt. Omwille van het initiatiekarakter van het verhaal, is wel geopperd dat de graalromans in feite geliterariseerde scenario’s zijn van een ridderwijding. Ze volgen in ieder geval het quasi universele patroon van de monomythe, die volgens Joseph Campbells The Hero with a Thousand Faces de ruggengraat vormt van ieder heldenverhaal. Maar je zou ook gewoon kunnen zeggen dat Li contes del graal en zijn epigonen Bildungsromans zijn, die de éducation sentimentale van een jonge man in de hoofse context van de christelijke Middeleeuwen in symbolische en gestileerde vorm beschrijven. 


Richard Wagner las de Parzival van Wolfram von Eschenbach toen hij in 1845 in Marienbad verbleef voor een kuur. Twaalf jaar later begon hij aan een eerste concept, naar eigen zeggen geïnspireerd door de lentezon op Goede Vrijdag in de mooie tuin van het huis dat hem in Zürich ter beschikking was gesteld door Otto Wesendonck. (In 1857 viel Goede Vrijdag op 10 april, terwijl de Wagners pas op 28 april in het huis introkken: helemaal kloppen doet het verhaal dus niet. Een kniesoor die daarom maalt, evenwel.)
In 1865 werkte Wagner even aan het project dat de Parsifal zou worden, maar hij liet het weer ongemoeid tot januari 1877, toen hij aan het libretto begon te schrijven. In april was de eerste versie van de tekst klaar en in augustus begon hij de grote muzikale lijnen van het eerste bedrijf te componeren. Hij werkte bedrijf na bedrijf af in 1877 tot 1879 en bleef nog aan de partituur sleutelen tot januari 1882. 
Op 26 juli 1882 ging het Bühnenweihfestspiel in première in Bayreuth, gedirigeerd door Hermann Levi.

Synopsis

Eerste bedrijf: bij het slot Monsalvat in de Spaanse Pyreneeën
Monsalvat is de burcht van de graalridders. Gurnemanz, een van de oudere graalridders, wekt twee jonge schildwachten die ingedommeld waren tijdens de wacht. Twee andere graalridders vervoegen het gezelschap en vertellen Gurnemanz dat koning Amfortas een slechte nacht heeft doorgemaakt; ze gaan naar het nabijgelegen meer om het bad van de koning voor te bereiden. Op dat moment stort Kundry zich op de scène met een geneeskrachtige balsem die ze in Arabië is gaan zoeken. Amfortas wordt opgevoerd en beschrijft zijn ondraaglijke pijnen. De verlossing lijkt echter nabij. Als de koning naar zijn bad wordt gebracht beginnen de jonge knapen Kundry te plagen. Gurnemanz verdedigt haar. 

Uit zijn mond krijgen we een stukje voorgeschiedenis. Hij vertelt het verhaal van Amfortas. Die werd verleid door een vrouw en liet daardoor de heilige speer uit zijn handen glippen. Tovenaar Klingsor zag zijn kans schoon de speer te grijpen en Amfortas een wonde in de zijde toe te brengen. Titurel, de vader van Amfortas, heeft de burcht gebouwd en de broederschap opgericht. Klingsor wou ook toetreden tot de broederschap maar werd geweigerd omdat hij wellustig was. Om kuis te worden heeft Klingsor zichzelf gecastreerd, maar Titurel vindt hem weerzinwekkend en weigert Klingsor opnieuw. Deze laatste zweert wraak te zullen nemen en vroeg of laat de speer en de graal te bemachtigen en de graalridders in het verderf te storten. De lange monoloog van Gurnemanz eindigt met de profetie die in de burcht op de muur verscheen dat Amfortas en de graalgemeenschap zullen gered worden door een ‘reine dwaas’. 

Bij het meer waar de koning zijn bad nam, is intussen opschudding ontstaan. Een jongeman heeft een zwaan doodgeschoten met zijn boog. Parsifal, de jongeman in kwestie, krijgt van Gurnemanz duchtig onder zijn voeten, waarna Parsifal, die zich bewust wordt van zijn zinloze daad, zijn boog in stukken breekt. Als Gurnemanz Parsifal probeert te ondervragen over zijn afkomst, kan die op geen enkele vraag antwoord geven. Hij weet niet eens zijn eigen naam. Die van zijn moeder kan hij wél geven: Herzeleide. Kundry kent de herkomst van Parsifal blijkbaar wel. Ze vertelt ook dat zijn moeder gestorven is. Een ontredderde Parsifal valt haar aan maar wordt door Gurnemanz tot de orde geroepen. 

Gurnemanz vermoedt dat Parsifal de reine dwaas zou kunnen zijn die de profetie voorspelde en besluit om hem mee te nemen naar de Graalburcht waar Amfortas de graal aan de verzamelde ridders zal tonen. Alle ridders en knapen zijn samen in de grote zaal van het kasteel. Titurel maant zijn zoon aan om de graal te tonen, maar Amfortas weigert en barst uit in een jammerklacht over zijn lijden. Uiteindelijk zegent hij toch de verzamelde ridders met de graal. Aan het einde van de plechtigheid stuurt Gurnemanz Parsifal weg omdat hij ervan overtuigd is dat die niets begrepen heeft van wat hij heeft gezien. Hemelse stemmen herhalen de profetie.

Tweede Bedrijf: in het toverslot van Klingsor 
Klingsor spreekt een bezwering uit om Kundry op te roepen. In het gesprek dat volgt tussen Kundry en Klingsor, vertelt Klingsor het verhaal van de verleiding van Amfortas door Kundry. Kundry krijgt nu de opdracht om Parsifal te verleiden. Hij is Klingsors gevaarlijkste vijand, omdat hij beschermd wordt door het schild van de onwetendheid, der Torheit Schild in de originele tekst. Kundry weigert aanvankelijk maar ze wordt door Klingsor gedwongen. Ze is in zijn macht omdat hij de enige man is die ze nooit kon verleiden, hij heeft immers zichzelf ontmand. Dan roept Klingsor zijn wachters op, allemaal gewezen graalridders die in zijn macht kwamen nadat ze verleid werden door Kundry of de bloemenmeisjes. 

De wachters zijn geen partij voor Parsifal en hij bereikt de tovertuin waar hij wordt opgewacht door de bloemenmeisjes. Het zijn bloemen die door Klingsor zijn omgetoverd in beeldschone, jonge verleidelijke vrouwen. De bloemenmeisjes proberen Parsifal te verleiden, maar dan beginnen ze te ruziën  over wie de mooiste is. Als Parsifal wil weggaan, verschijnt Kundry in de gedaante van een bovenaards mooie vrouw. Zij roept Parsifal bij zijn naam. De bloemenmeisjes verdwijnen en Parsifal blijft als betoverd staan. Kundry probeert zijn vertrouwen te winnen en vertelt hem het verhaal van de dood van zijn vader Gamuret en het verdriet van zijn moeder. Ze legt ook uit waarom Herzeleide zich met haar zoontje in het bos terugtrok om hem ver van alle wapengeweld op te voeden en ze vervolgt haar verhaal met het grote verdriet dat Parsifal zijn moeder heeft aangedaan door van haar weg te gaan. Dat verdriet leidde tot haar dood. 

Links Hermann Winkelmann als Parsifal,
rechts Amalie Friedrich-Materna als Kundry in 1882
Parsifal vervloekt zijn domheid en verwijt zich dat hij zijn moeder vergeten is. Kundry brengt hem de laatste groet van zijn moeder over: een innige kus. Hierdoor wijkt de dwaasheid of de onschuld. Meteen beseft Parsifal dat hij ook de klacht van Amfortas niet heeft begrepen. Meer nog, het was eigenlijk de heiland zelf die hem vroeg zijn heilig bloed te verlossen uit de zondige handen van Amfortas. Als Kundry blijft aandringen, beseft Parsifal dat zij het was die Amfortas verleidde. Hij stoot haar weg. Kundry vertelt dan aan Parsifal dat zij vervloekt is om eeuwig rond te zwerven omdat ze met de lijdende Christus gelachen had. Parsifal biedt haar verlossing van die vloek aan als ze hem naar de graalburcht brengt, maar Kundry vervloekt hem en schreeuwt dat hij nooit de weg zal vinden. Woedend loopt ze weg terwijl ze Klingsor om hulp roept. 

Klingsor verschijnt op de burchtmuur met de heilige speer en tracht Parsifal te treffen. De speer blijft echter boven Parsifals hoofd zweven. Parsifal grijpt vervolgens de speer en maakt er een kruisteken mee. Klingsor en zijn burcht worden daarop door de aarde opgeslokt. De tuin verdort.

Derde bedrijf: Monsalvat, enkele jaren later, in de lente
Het eerste tafereel speelt bij een hut aan een bron in het graalgebied waar Gurnemanz, heel erg verouderd, leeft als kluizenaar.  Hij hoort iemand kreunen en steunen in het struikgewas en ontdekt Kundry die zo goed als dood tussen de struiken bij de bron ligt. Op dat ogenblik komt een geharnaste ridder met een speer naderbij. Gurnemanz berispt de ridder: op Goede Vrijdag hoort hij geen wapens te dragen. Als de ridder zijn helm afneemt en de speer in de grond plant, herkent Gurnemanz Parsifal en de heilige speer. Parsifal herkent op zijn beurt Gurnemanz. Parsifal verhaalt dan van zijn omzwervingen en zijn zoektocht naar de graalburcht. Gurnemanz vertelt op zijn beurt hoe het riddergenootschap in verval geraakte omdat Amfortas, na het eerste bezoek van Parsifal, weigert de graaldienst te vervullen om zo zijn einde te bespoedigen. Titurel is inmiddels gestorven.

Metropolitan NY 2006
Parsifal is de wanhoop nabij omdat hij heeft gefaald, maar Gurnemanz troost hem en zegt dat hij diezelfde dag nog het ambt van Amfortas moet overnemen. Hij wordt aan de heilige bron gebracht en Kundry wast zijn voeten, zalft ze en droogt ze met haar lange haren. Ondertussen besprenkelt Gurnemanz zijn hoofd en zalft Parsifal tot koning. Zijn eerste taak als koning is het dopen van Kundry om ze van haar vloek te verlossen. Parsifal is verbaasd over de schoonheid en vredigheid van de natuur, waarop Gurnemanz hem uitlegt dat het Goede Vrijdag is, de dag waarop de natuur zich op zijn mooist tooit. Hierna wordt Parsifal door Gurnemanz en Kundry naar de graalburcht gebracht.

In de burchtzaal zijn de ridders verzameld rond de lijkbaar van Titurel en het ziekbed van Amfortas. Op een altaar voor Amfortas staat de bedekte graal. De ridders eisen dat Amfortas de graal onthult, maar die weigert de graaldienst te verrichten.  Op dat moment komt Parsifal binnen. Hij raakt met de punt van de speer de zijde van Amfortas aan om diens wonde te genezen. Daarop onthult Parsifal de graal. Gurnemanz en Amfortas knielen voor hem, terwijl Kundry, haar blik op de graal gericht, levenloos neervalt.

De affiche van 1882

Personages en rolverdeling

Parsifal: James King
Kundry: Gwyneth Jones
Gurnemanz: Franz Crass
Amfortas: Thomas Stewart
Klingsor: Donald Mc.Intyre
Titurel: Karl Ridderbusch
Graalridders: Hermin Esser en Bengt Rundgren
Knapen: Elisabeth Schwarzenberg, Sieglinde Wagner, Dieter Selmbeck en Heinz Zednik
Bloemenmeisjes: Hannelre Bode, Margarita Kyriaki, Inger Paustian, Dorothea Siebert, Wendy Fine en Sieglinde Wagner
De stem van een alt: Marga Höffgen



Koor en orkest van de Bayreuther Festspiele o.l.v. Pierre Boulez
opname 1971 - Deutsche Grammophon

woensdag 25 maart 2015

Libuše - Bedřich Smetana



Libuše is een Feestopera in 3 bedrijven van Bedřich Smetana. Het libretto werd in het Duits geschreven door Josef Wenzig en naar het Tsjechisch vertaald door Ervin Špindler. De première vond plaats in Praag op 11 juni 1881.

Synopsis

Eerste bedrijf
De broers Chrudoš en Štáhlav kibbelen over het landgoed van hun vader met als scheidsrechter koningin Libuše. De Tsjechische wet schrijft of co-beheer of een gelijke verdeling van het land voor. Chrudoš, de oudste zoon beroept zich op de Duitse wet, waarbij het eerstgeboorterecht geldt: de oudste erft de volledige eigendom. Libuše opteert voor gelijke verdeling, tot grote woede van Chrudoš, die vertrekt. Omdat een aantal mannelijke onderdanen waaronder Chrudoš het moeilijk heeft met een vrouw als heerser, vraagt Libuše aan haar onderdanen voor haar een echtgenoot te kiezen. Zij vinden dat zij zelf haar keuze moet maken en dan blijkt dat haar voorkeur gaat naar de boer Přemysl. Het eerste bedrijf eindigt met de uitingen van ongerustheid van de onderdanen over Chrudoš die wel eens onenigheid zou kunnen zaaien.
Libuse en Přemysl


Tweede bedrijf

In het tweede bedrijf komen we te weten wat Chrudoš’ op de lever ligt: hij houdt van Krasava, en zij van hem maar zij acht hem niet bepaald de grootste romanticus. Om hem een beetje aan te wakkeren veinst zij interesse in Štáhlav, om hem jaloers te maken. Lutobor, de vader van Krasava, vraagt haar de twistende broers te verzoenen. Krasava daagt vervolgens Chrudoš uit om haar ofwel vergiffenis te schenken en te omhelzen, ofwel haar te doden met zijn zwaard. Alles wordt vergeven en vergeten en de broers verzoenen zich met elkaar.
Přemysl overschouwt de oogst van zijn land. Een Koninklijke escorte arriveert om hem naar Koningin Libuše te voeren voor het huwelijk.


Derde bedrijf

Het dubbele huwelijk van Libuše en Přemysl en van Krasava en Chrudoš wordt gevierd. Přemysl zorgt ervoor dat Chrudoš zonder gezichtsverlies zich kan verontschuldigen bij de koningin. Koningin Libuše voorspelt in een profetische trance een grootse toekomst voor de Tsjechische natie.


Personages en rolverdeling

Libuše, Boheemse prinses: Eva Urbanová
Přemysl van Stadice: Vratislav Kříź
Chrudoš: Ludek Vele
Štáhlav: Jan Markvart
Lutobor: Miloslav Podskalský
Radovan: Pavel Červinka
Krasava: Helena KaupováRadmila: Miroslava Volková
Vier oogsters: Jana Jonášová, Jitka Soběhartová, Marie Veselá, Miroslav Švejda
Ouderen, hoofden en edellieden, dienstmaagden van Libuše, Přemysls gevolg, het volk.
Koor en orkest van het Nationaal Theater van Praag
Koorleider Milan Malý
Dirigent Oliver Dohnány
opname Supraphon 1995
Libuse voorspelt de glorie van Praag

dinsdag 10 maart 2015

The Queen of Cornwall - Rutland Boughton

The queen of Cornwall is een opera in twee bedrijven van Rutland Boughton naar een toneelstuk van Thomas Hardy.
De première vond plaats op  21 augustus 1924 tijdens het Glastonbury Festival.


Synopsis

Eerste bedrijf
Isolde, Koningin van Cornwall, keert na een zeereis terug naar Tintagel Castle en arriveert er net voor haar echtgenoot  Mark. Ze ontkent dat ze Sir Tristram, haar geliefde, in Bretagne heeft gezien, maar de koning vertrouwt de zaak niet. Hij gelooft evenmin haar bewering dat Tristram dood is. Isolde is wel degelijk in Bretagne geweest, maar ze heeft daar van Isolde met de Witte Handen, de echtgenote van Tristram, vernomen dat hij aan zijn verwondingen overleden is.
Geleidelijk beseft Koningin Isolde dat  Mark het wel eens bij het rechte eind zou kunnen hebben en dat  Isolde van Bretagne haar misschien wel misleid heeft. Als bevestiging hiervan weerklinkt de stem van Tristram van achter het podium. Als hij binnen komt, vallen de geliefden in elkaars armen.
Terwijl ze hun liefde bezingen klinkt in de achtergrond  het geslemp van koning Mark en zijn ridders.

Tweede bedrijf
De wachter kondigt een schip aan dat  de baai binnenvaart, en koningin Isolde gaat op zoek naar wie in het schip zit. Het koor onthult dat Isolde van Bretagne aan boord is. Onmiddellijk wordt zij geconfronteerd met haar echtgenoot. Zij smeekt hem om met haar terug te keren naar Bretagne, maar hij weigert. Isolde van Cornwall en Bragwain luisteren hun gekibbel af.
Op een gegeven moment kan Isolde van Cornwall het niet langer aanzien en zij komt  zich met de zaak bemoeien. De Bretoense koningin valt flauw en wordt naar buiten gedragen. Vervolgens maakt Tristram ruzie met zijn geliefde. Hij tracht haar te bedaren, maar dat lukt niet. Een dame verschijnt op het toneel. Trouw aan Tristram heeft zij een brief geopend die koning Mark aan koning Arthur heeft gericht en waarin hij zweert wraak te zullen nemen op Sir Tristram. Hij zegt dat ze de brief opnieuw moet verzegelen en hij stuurt haar verder . Hij verkiest zijn lot te ondergaan. Koning Mark bespiedt de geliefden. Een droevig lied volgt. Dan komt Koning Mark  tevoorschijn en hij steekt Tristram in de rug.  Isolde weet hem zijn dolk afhandig te maken en steekt Mark neer.
Volledig buiten haar zinnen rent zij buiten waarna de wachter en Bragwain haar zelfmoordende sprong van de klippen in de zee komen rapporteren. Isolde met de Witte Handen komt op. Zij was ooggetuige van de dood van de koningin. Als zij het dode lichaam van haar echtgenoot ziet, zingt zij een klaagzang om vervolgens neer te vallen op het dode lichaam. Zij wordt weggebracht en Andret  geeft de wachter opdracht het lichaam van Tristram in zee te werpen. Het lijk van Koning Mark wordt opgebaard, terwijl het koor een woordeloos klaaglied zingt.

Het stuk eindigt met het gezang van de geesten van Tristram en Isolde en het koor over de eeuwige liefde van het paar.

Personages en rolverdeling
Wachter : Philip Tebb
Bragwain : Patricia Orr
Koning Mark : Neal Davies
Koningin Isolde : Heather Shipp
Sir Andret : Peter Wilman
Sir Tristram : Jacques Imbrailo
Isolde van Bretagne : Joan Rodgers CBE
Dame : Elizabeth Weisberg

New London Orchestra
Members of The London Chorus
dirigent: Ronald Corp


Wereldpremière opname 2010 - Dutton Epoch



woensdag 4 maart 2015

Dalibor - Bedrich Smetana

Dalibor is een opera in drie bedrijven van Bedrich Smetana (1824-1884). De opera's van Smetana vormen de eigenlijke kern van zijn artistieke nalatenschap. Dit wil niet zeggen dat zijn andere werk - symfonische muziek, kamermuziek, werk voor klavier, vocaal werk - van secundair belang zou zijn. Maar het is met zijn opera's dat Smetana het breedste publiek bereikte en zij waren ook de werken waarmee hij zijn nationalistisch gekleurde muzikale boodschap het beste kon overbrengen. 

Het tragische ridderdrama Dalibor ging in première op 16 mei 1868 in het Nieuwe Stadstheater van Praag. Het libretto is van Josef Wenzig, die actief was in de Tsjechische stroming maar alleen Duits sprak en schreef; Ervin Spindler vertaalde de tekst in het Tsjechisch en het was deze vertaling waarop Smetana noten zette.

De protagonist, de ridder Dalibor, is een historische figuur die vermeld wordt in de laatmiddeleeuwse kronieken en in de Geschiedenis van de Tsjechische Natie van Palacky. Maar heel weinig is over hem geweten. Hij koos de kant van het verdrukte volk tegen de feodale heersers en werd in 1498 ter dood veroordeeld: dat is het zowat. Wenzig fantaseerde er een hele liefdesgeschiedenis bij maar er zit vooral ook een politieke boodschap in het stuk. Wanneer Dalibor gevangen wordt gezet, is het niet alleen deze individuele ridder die in de cel zit, maar het hele Tsjechische volk. En als in de tweede gevangenisscène een lied ten gehore wordt gebracht over de vrijheid, ging het voor de toehoorders vooral om de bevrijding van de Tsjechen uit de kluisters van de Habsburgse monarchie. 

Uiteraard is Dalibor een opera, geen politiek pamflet. Er zit een mooi liefdesverhaal in, met de metamorfose van een door wraak bezeten vrouw tot één die zich uit liefde opoffert voor haar vroegere vijand. Er zitten prachtige Tsjechisch geïnspireerde passages in het stuk, wat niet belet dat critici Smetana beschuldigden van wagnerianisme, omdat hij inderdaad gebruik maakt van leidmotieven.


Synopsis

Eerste bedrijf
De burggraaf van Ploskovice heeft Zdenek, de vriend van ridder Dalibor, laten terechtstellen. Dalibor verschijnt voor een tribunaal in het kasteel van Praag omdat hij, als vergelding voor de dood van zijn vriend, het kasteel van Ploskovice heeft belegerd en de burggraaf heeft gedood. Koning Vladislav van Bohemen zit het tribunaal voor. Dalibor verdedigt zich in een vurige pleitrede en na afloop vraagt Milada, de zuster van de burggraaf en de aanklaagster van Dalibor, zowel voor de ridder die haar broer doodde als voor zichzelf, vergiffenis. Koning Vladislav wijst het verzoek af.

Tweede bedrijf
Milada beraamt samen met Dalibors pupil Jitka en de schildknaap Vitek, Jitka's minnaar, een plan om Dalibor te bevrijden.
Verkleed als een jonge man slaagt Milada erin het vertrouwen te winnen van Dalibors cipier Benes. Niet alleen laat deze haar toe in de diepste regionen van de gevangenis, waar ook Dalibor in de cel zit, maar hij geeft haar ook de viool die hij aan Dalibor had beloofd. Dit ondanks de waarschuwing van de commandant van de kasteelwacht Budivoj, dat er nog heel wat aanhangers van Dalibor in de stad zijn die wachten op een signaal van hun leider. Milada geeft Dalibor de viool en verklaart hem haar liefde. Samen plannen ze de ontsnapping.


Derde bedrijf

Budivoj vertelt de koning van het verraad van de jonge man, die heeft geprobeerd hem te compromitteren. De koning en zijn rechters besluiten tot de onmiddellijke terechtstelling van Dalibor. Dalibor, die wel een viool kreeg maar er zijn handlangers niet mee kon verwittigen omdat de laatste snaar is gesprongen, geraakt niet weg. Hij wordt weer gevat door Budivoj en naar het schavot gevoerd. Milada leidt de aanhangers van Dalibor tegen de troepen van de koning maar wordt fataal gewond. Zij sterft in Dalibors armen. Dalibor wacht de soldaten van de koning op, vecht met Budivoj en sneuvelt. Doek.


Personages en rolverdeling
Ivan Kusner als Vladislav, koning van Bohemen (bariton):
Leo Marian Vodicka als Dalibor, een ridder (tenor):
Eva Urbanova als Milada, zuster van de burggraaf van Ploskovice (sopraan):
Vratislav Kriz als Budivoj, commandant van de wacht
Jiri Kalendovsky  als de cipier Benes, :
Miroslav Kopp als Vitek, een huurling van Dalibor (tenor):
Jirina Markova  als Jitka, een dorpsmeisje van Dalibors landgoed (sopraan):
Bohuslav Marsik als een rechter (bas):

Vioolsolo Vaclav Hudecek en
Koor en orkest van het Nationaal Theater van Praag
Koorleider Milan Maly
Muzikale leiding Zdenek Kosler
opname Supraphon 1995

Samenstelling: Vera Caremans

woensdag 25 februari 2015

La Muette de Portici - Daniel François Esprit Auber

La Muette de Portici is een opera in vijf bedrijven van Daniel François Esprit Auber op een libretto van Eugène Scribe en Germain Delavigne. De opera werd voor het eerst opgevoerd in de Opéra van Parijs op 29 februari 1828.

La Muette de Portici is een gevaarlijke opera

Op 25 augustus 1830 stond deze zeer populaire opera op het programma van de Brusselse Muntschouwburg als verjaardagsgeschenk voor koning Willem I van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Als aan het eind van het tweede bedrijf de hoofdfiguren met vuur ‘Amour sacré de la patrie’ vertolken, en de Franse tenor Jean-François Lafeuillade na de aria meermaals “Aux armes!” uitschreeuwt, weerklinken vanuit de zaal kreten als “Vive la liberté“, “A bas le roi“, “Mort aux Hollandais” en – zo wordt verteld – ook wel tweetalig “Viva la France, vivat de Fransoeëze“. De hele zaak was wellicht volledig geënsceneerd, de claque incluis.


Nog voor het doek viel, verlieten enkele tientallen toeschouwers de zaal. Er werd links en rechts wat geroepen en er ontstonden wat relletjes. Het handjevol ongeregeld groeide snel uit tot een woelige massa die plunderend door de Brusselse straten trok. Kort na zonsopgang kwam bij de Magdalenastraat een legereenheid oog in oog te staan met een groep dronken rebellen. Vijf doden aan de kant van de opstandelingen was de trieste balans. 
Daarna was er geen sprake meer van massaal oproer. Wat kleine schermutselingen, waarbij vooral de machines van bedrijven het moesten ontgelden, kostten nog aan een twintigtal mensen het leven. De door de Zuid-Brabantse gouverneur in der ijl opgerichte burgerwacht had tegen de morgen de toestand onder controle.
Door die avond in augustus 1830 is de opera symbool geworden voor de Belgische opstand tegen de Nederlandse overheersing, en daarmee ook voor de Belgische eenheid. Het verhaal over het revolutionaire effect van De Stomme van Portici is uiteraard geromantiseerd en wat overdreven. Er waren in die zomer van 1830 wel meer redenen voor revolte, zo bijvoorbeeld honger door een mislukte oogst en het Franse voorbeeld van een maand eerder waarbij Charles X van de troon werd gestoten en plaats moest ruimen voor Louis-Philippe, bijgenaamd de burgerkoning, heeft eveneens gespeeld

La Muette de Portici is een onbekende opera

In de Brusselse Muntschouwburg werd in 1930 de opera nog integraal uitgevoerd om het honderdjarig bestaan van het land te vieren. En vanaf september 1944 hadden veertien voorstellingen plaats om de bevrijding van Brussel van de Duitsers te onderlijnen. Maar dat was dan ook de laatste keer dat De Stomme er te horen was. Vrijwel niemand in België heeft de opera integraal gezien, of gehoord, maar toch wordt hij algemeen omschreven als een ‘draak’, een onding, zowel inhoudelijk als muzikaal.

La Muette de Portici is een ‘Grand opéra’

Met De Stomme van Portici kreeg de opera er een heel nieuw genre bij: de Grand opéra. Er waren minimaal 5 bedrijven, ballet, een historische kern, veel spektakel, grootse decors en weelderige kostuums. Behalve Auber schreven Giacomo Meyerbeer, Fromental Halévy en Gioacchino Rossini belangrijk werk in het genre.

Het verhaal van De Stomme van Portici speelt in 1647 en is gebaseerd op een historische gebeurtenis, een Napolitaanse opstand tegen de Spaanse overheersing, die geleid werd door de visser Masaniello. In het libretto wordt deze historische kern flink aangedikt met andere, gefingeerde verhaallijnen

Synopsis

Eerste bedrijf
In het eerste bedrijf zijn we getuige van het huwelijk van Alfonso, zoon van de onderkoning van Napels en de Spaanse prinses Elvira. Alfonso heeft Fenella verleid, de stomme zus van de Napolitaan Masaniello, en heeft haar in de steek gelaten. Hij wordt verteerd door twijfels en wroeging omdat hij vreest dat ze zelfmoord heeft gepleegd. Tijdens de feestelijkheden stormt Fenella binnen om bescherming te zoeken tegen de onderkoning die haar al een maand gevangen houdt. Zij wist te ontsnappen en zij vertelt met gebaren wat haar overkomen is en toont het litteken dat haar aanbidder haar bezorgde. Elvira belooft haar te beschermen en vervolgt haar weg naar het altaar. Fenella tracht haar te volgen. In de kapel herkent zij haar verleider in de bruidegom van de prinses. Wanneer het pas getrouwd koppel de kerk verlaat, stelt Elvira Fenella voor aan haar echtgenoot. Uit de gebaren van het meisje kan zij snel opmaken dat hij haar trouweloze minnaar is. Fenella rent weg en laat Alfonso en Elvira in spijt en ontreddering achter.

Tweede bedrijf
In het tweede bedrijf komen de vissers bijeen die hebben zitten piekeren over de tirannie van hun heren. Pietro, de vriend van Masaniello, heeft vergeefs Fenella gezocht, maar uiteindelijk daagt ze uit zichzelf op. Masaniello en Pietro verhinderen dat zij zichzelf verdrinkt. Zij maakt Masaniello duidelijk wat haar is overkomen. Hij is woest en zweert wraak, maar Fenella die nog steeds van Alfonso houdt, vernoemt diens naam niet. Masaniello roept daarop de vissers op om de wapens op te nemen en zij zweren de vijand van hun land ten gronde te richten. . Aan het einde van dit bedrijf weerklinkt het beroemde duet van Masaniello en Pietro “Amour sacré de la Patrie”, dat de Belgische geschiedenis is ingegaan als aanleiding tot het oproer in Brussel in 1830 dat uiteindelijk leidde tot te onafhankelijkheid van het land.
Jean-François Lafeuillade
Derde bedrijf
We zijn in Napels op de markt waar de mensen heen en weer lopen, verkopen en kopen, hun ware bedoelingen verbergend onder een schijnvertoning van gezelligheid en zorgeloosheid. Selva, de officier van de lijfwacht van de onderkoning, uit wiens handen Fenella is ontsnapt, ontdekt haar. Als hij probeert haar opnieuw gevangen te nemen, is dat het teken voor een algemene opstand, waarbij het volk overwint.

Vierde bedrijf
Fenella komt naar de hut van haar broer en ze beschrijft de vreselijke gebeurtenissen in de stad. Het relaas vervult zijn edele ziel met smart en afkeer. Wanneer Fenella gaat rusten, komt Pietro binnen met zijn kompanen. Hij tracht Masaniello tot verdere daden aan te zetten, maar deze verlangt enkel naar vrijheid en gruwelt van moord en wreedheden. Ze vertellen hem dat Alfonso ontsnapt is en dat zij vast besloten zijn hem te overmeesteren en te doden. Fenella hoort alles en beslist haar geliefde te redden. Alfonso smeekt haar hem te verbergen. Hij treedt binnen met Elvira en Fenella die eerst overweegt om zich te wreken op haar rivale, bedenkt zich omwille van Alfonso. Masaniello, die opnieuw is binnen gekomen, verzekert de vreemdelingen van zijn bescherming en zelfs als Pietro Alfonso ontmaskert als de zoon van de onderkoning, houdt hij zijn belofte. Pietro en zijn mede-samenzweerders vertrekken vol woede en haat. De Magistraat heeft inmiddels de koningskroon aan Masaniello aangeboden en hij wordt tot koning van Napels uitgeroepen.

Vijfde bedrijf
We vinden Pietro met de andere vissers terug voor het paleis van de onderkoning. Hij verklapt Moreno dat hij vergif heeft toegediend aan Masaniello, om hem te straffen voor zijn verraad, en dat de ééndagskoning spoedig zal sterven. Zijn woorden zijn nog niet koud of Borella stormt binnen met de boodschap dat Alfonso met een nieuwe lichting soldaten opmarcheert tegen het volk. Beseffend dat Masaniello de enige persoon is die hen kan redden, smeken de vissers hem het commando te nemen over hen. En hoewel Masaniello doodziek is en half waanzinnig, willigt hij toch hun verzoek in. De strijd wordt uitgevochten tegen de achtergrond van een uitbarstende Vesuvius. Masaniello sterft bij het redden van Elvira’s leven.
Als Fenella de verschrikkelijke gebeurtenissen hoort, snelt zij naar het terras vanwaar ze zich in de kolkende lavastroom van de Vesuvius stort. De gevluchte edellieden nemen opnieuw de stad in.

Personages en rolverdeling
Elvire : June Anderson
Masaniello: Alfredo Kraus
Alphonso: John Aler
Pietro: Jean-Philippe Lafont
Lorenzo: Alain Munier
Borella: Frédéric Vassar
Selva: Jean-Philippe Courtis
Une dame d’honneur: Martine Mahé
Moreno: Daniel Ottevaere 
Ensemble Choral Jean Laforge
Orchestre Philharmonique de Monte-Carlo olv Thomas Fulton
Opname 1987
EMI Classics

Samensteller: V. Caremans

donderdag 19 februari 2015

Iphigénie en Aulide - Christoph Willibald von Gluck


Iphigénie en Aulide (Iphigenia in Aulis) is een opera in drie bedrijven van Christoph Willibald von Gluck. Het libretto van Marie François Bailli de Roullet is gebaseerd op Iphigénie van Jean Racine. De première vond plaats op 19 april 1774 te Parijs in de Opéra Palais Royal.

Synopsis
Eerste bedrijf

Het Griekse leger staat in Aulis klaar voor de aftocht naar Troje om de dood van de mooie Helena te wreken. Maar het is windstil. Met die windstilte straft Diana, de godin van de jacht Agamemnon, de koning van Mycene omdat hij ooit één van haar heilige hinden doodde. Bij monde van de grote ziener Calchas horen we de prijs die de Grieken voor vrij vertrek moeten betalen: Diana eist van de legeraanvoerder van de Grieken dat hij zijn dochter Iphigenia offert.
Iphigenia wordt in het legerkamp verwacht voor haar huwelijk met de held Achilles. Agamemnon probeert zijn dochter op een afstand te houden, maar zijn pogingen zijn vergeefs.

Tweede bedrijf
De festiviteiten voor de bruiloft zijn volop bezig met dans en koorgezang. Op weg naar het altaar horen Iphigenia en haar moeder Klytaimnestra van Arcas, de kapitein van Agamemnons wacht, over de wil van de goden. Achilles beschermt zijn bruid met de Tessalische troepen. Zowel Agamemnon als Klytaimnestra reppen zich om Iphigenia te redden van het altaar.
Giovanni Batista Tiepolo - Offer van Iphigenia
Derde bedrijf
Omdat de Grieken willen zegevieren in de komende strijd, eisen ze de voltrekking van het offer. Dan onderwerpt Iphigenia zich aan de wil van de goden. Klytaimnestra smeekt Jupiter om bescherming. Achilles mobiliseert zijn soldaten tegen de Grieken. De goden worden toegeeflijk. De deugd van Ipigenia, de tranen van de moeder en de dapperheid van Achilles hebben het offer overbodig gemaakt.
Calchas verheft zijn stem om aan te kondigen dat de goden zich hebben bedacht. In de tweede versie van de opera (deze versie) uit 1775 is het Diana zelf die komt vertellen dat zij zonder offer de Grieken laat vertrekken. De winden beginnen te waaien en iedereen huldigt de genadige Diana.

Rolverdeling
Agamemnon José Van Dam
Clytemnestre Anne Sofie Von Otter
Iphigénie Lynne Dawson
Achille John Aler
Patrocle Bernard Deletré
Calchas Gilles Cachemaille
Arcas René Schirrer
Diane Guillemette Laurens
2 Griekse vrouwen Ann Monoyios en Isabelle Eschenbrenner
een slavin Ann Monoyios
Monteverdi Choir en Orchestre de l’Opéra de Lyon olv John Eliot Gardiner
De opname dateert van 1990 
Erato discs 

Samenstelling: V. Caremans

donderdag 5 februari 2015

La Vestale - Gaspare Spontini

La Vestale, De Vestaalse maagd, is een tragédie-lyrique in drie bedrijven van Gaspare Spontini (1774 – 1851).Het libretto is van Victor-Joseph Etienne de Jouy. De première vond plaats in de Parijse Opéra op 15 december 1807.
De actie is gesitueerd in het oude Rome.


Synopsis
Eerste bedrijf
We bevinden ons op het Forum Romanum. Veldheer Licinio is als overwinnaar teruggekeerd uit de oorlog tegen de Galliërs, waar hij uit liefde voor de mooie Giulia naartoe was gegaan. Tijdens zijn afwezigheid is Giulia Vestapriesteres geworden, ter nagedachtenis aan haar overleden vader. Zij heeft dus een gelofte van levenslange kuisheid afgelegd. Die gelofte verbreken, betekent de dood.
Giulia wordt uitgekozen om veldheer Licinio de zegekrans te overhandigen en Licinio maakt van die gelegenheid gebruik Giulia te vertellen dat hij haar de komende nacht zal bezoeken. Hij plant haar te ontvoeren.
Tweede bedrijf
In het midden van de tempel van Vesta brandt op een groot marmeren altaar het heilige vuur. Giulia moet deze nacht het vuur bewaken, want het mag nooit uitgaan. Licinio dringt de tempel binnen om haar te ontvoeren. Giulia weerstaat de verleiding, maar terwijl ze ruziemaken, dooft het heilige vuur. De opperpriester wil de naam van de schuldige indringer weten, maar Giulia geeft deze niet prijs en wordt ter dood veroordeeld.
Derde bedrijf
Bij de piramidegraven aan de Porta Collina smeekt Licinio vergeefs om het leven van Giulia te sparen. Hij bekent zelfs dat hij de schuldige was. Giulia wijst zijn reddingspogingen af en gaat het graf binnen om levend te worden ingemetseld. Haar sluier wordt op het altaar gelegd. Dan breekt er een onweer los en een bliksem doet de sluier ontbranden: een teken dat de godin Giulia heeft vergeven.
Licinio en Giulia bevinden zich bij de tempel van Venus van Eryx. Zij zijn een paar geworden en er volgt een groot vreugdefeest.
Personages en rolverdeling
Giulia – een jonge Vestaalse maagd : Maria Callas
Licinio – een Romeins veldheer : Franco Corelli
Cinna – een bevelhebber van het legioen : Enzo Sordello
Il sommo sacerdotto – de opperpriester : Nicola Rossi-Lemeni
La gran Vestale – de opperpriesteres van de Vestaalse Maagden : Ebe Stignani
Un console – een consul : Vittorio Tatozzi
Aruspice – de opperste haruspex : Nicola Zaccaria
Orkest en koor van het Teatro della Scala van Milaan o.l.v. Antonino Votto
Live opname Milaan, 7 dec. 1954

Luister mee via: http://zoveelmeerhoboken.blogspot.be/p/luisterchat.html